#Best practices verzuim: Algemene Schoolvereniging Neutraal Bijzonder Onderwijs, Gouda

Met een gemiddeld ziekteverzuim van 5,9% is het verzuim in het PO hoog in vergelijking met andere sectoren. Maar dat is niet over de hele linie het geval. Er zijn ook scholen waar sprake is van een structureel laag of continu dalend verzuim. Hoe komt dat? Welke aspecten spelen hierbij een rol? VfPf gaf onderzoeksbureau Regioplan opdracht dit voor de sector te onderzoeken. Centraal in het rapport staan 8 interviews met scholen met een laag verzuim. Lees hieronder interview 4.

#Een nieuwe organisatiestructuur

In het oog springend bij deze school is de structurele verandering die is doorgevoerd in de organisatiestructuur.

In de woorden van een leerkracht: “De werkdrukgelden zijn zo ingezet dat de extra formatie leidt tot werkdrukverlaging én zorgt voor meer mogelijkheden in geval van verzuim.” Adjunct-directeur Renske Kleintjes schrijft in een toelichting: aan iedere bouw is een onderwijsassistent/leraarondersteuner gekoppeld. Deze geeft geen instructies, maar ondersteunt door de groep over te nemen van de leerkracht tijdens zelfstandige verwerking of door verlengde instructies te geven. Parallelgroepen werken
veel samen en geven bijvoorbeeld ook op dezelfde momenten instructie. Op het moment dat collega’s ziek zijn kan de leraarondersteuner/onderwijsassistent de groep overnemen waarbij de parallelleerkracht de instructies geeft. Omdat deze organisatie niet alleen wordt gebruikt tijdens periodes van ziektes van leerkrachten, maar door het jaar heen, zijn kinderen, ouders en leerkrachten hier al aan gewend.

#“Voorheen was het pleisters plakken, nu is er continuïteit en lucht”

Renske vertelt hoe ze op dit idee gekomen zijn: “We merkten dat we steeds pleisters aan het plakken waren bij verzuim en dat het lastig was om vervanging te regelen. Dus toen dachten we: laten we er eens anders naar gaan kijken. Hoe kunnen we het op school zo inrichten dat het de kwaliteit van het onderwijs ten goede komt met werkdrukgelden die niet eenmalig zijn, maar constant een aantal jaar input geven? Hoe kunnen we die zo inzetten dat ze ook bij geen ziekte de kwaliteit van onderwijs ten goede komen?”

De directeur bestuurder van deze school is iemand die, ook op hoger niveau, met veel mensen aan tafel zit. Dat heeft bijgedragen aan de vorming van dit idee, zo vertelt Renske. Ze benoemt de voordelen voor de school: “Een aantal jaar terug moest je parttimers bellen of ze konden bijspringen bij ziekte. Dat legt ook druk. Of je moest het doen met de vervangingspool, die steeds leger werd. Nu heb je op iedere bouw extra mensen die kortdurend verzuim, zeg maximaal een week griep, prima kunnen opvangen. Voor kinderen en ouders verandert er daardoor niets bij verzuim.” Een leerkracht merkt op: “Het voordeel is nu geen vreemde invaller meer voor de klas. Want dat doet de klas geen goed en de leerkrachten ook niet.” Een andere leerkracht stelt: “Op deze manier zorgen we ervoor dat als er een keer een poot wegvalt, dat de stoel nog blijft staan. Niet alleen maar de hele week juf Greet. De kinderen zijn ook minder wiebelig als het een keer anders is.”

Dat reeds voorzien is in vervanging heeft geen gevolgen voor de wijze van registratie van ziekteverzuim.

Renske: “Op onze school wordt alle ziekteverzuim wel degelijk geregistreerd. De vervanging lossen we echter (vaak) intern op een andere manier op.” Een leerkracht: “Ik doe groep 8 met een collega. Dat kunnen we naadloos van elkaar overnemen: de kinderen zijn gewend aan twee leerkrachten en om naar één van beiden te luisteren. En het maakt dat je elkaar werk uit handen kunt nemen: we doen niet meer allebei alles. Er is een instructie, één doet een verlengde instructie, de ander de verdiepende instructie.” De andere leerkracht vult aan: “Als een leerkracht geen stem heeft, doet de leerkrachtondersteuner het dictee. En alle fulltimers worden één keer in de drie of vier weken uitgeroosterd voor een dagdeel of een dag zodat ze tijd hebben voor andere werkzaamheden die op hun bordje liggen.” Renske: “In het onderwijs werken mensen met hart voor de zaak, die durven vaak niet ziek te zijn, blijven daardoor langer doorlopen met klachten waardoor ze uiteindelijk langer uitvallen. Nu we zijn afgestapt van het idee van één leerkracht voor één groep geeft dat mensen lucht, hebben ze gedeelde verantwoordelijkheid.” Een leerkracht: “Het maakt het makkelijk om even uit te stappen als het niet gaat. Als niemand ziek is worden leraarondersteuners ingezet op klassen die qua passend onderwijs meer handen nodig hebben.”

#De school is geen onderdeel van een stichting

Renske: “Het helpt om constantheid te hebben in school, dus ons als directie is er alles aan gelegen om het verzuim laag te hebben. Waar we invloed op hebben van verzuim, daar zijn we bewust mee bezig.”

Zo valt het een leerkracht op dat de klassen nooit groter zijn dan 25 leerlingen en dat dit ook helpt.

Leerkracht: “Dat maakt het voor mij heel goed te doen. Op sommige scholen heb je niet de luxe om een stop op het aantal leerlingen te kunnen zetten. Bijvoorbeeld wanneer je school onderdeel is van een stichting. Ik heb klassen van 28-33 kinderen meegemaakt op andere scholen. De stichting heeft dan belang bij voldoende leerlingen. Scholen die minder goed liepen (in aantal leerlingen) moesten dan scholen die wel goed liepen qua aantallen in evenwicht houden. Doordat onze school geen onderdeel is van een stichting kan de school zelfstandig daarin zelf het beleid bepalen. Er zijn geen andere scholen waarmee rekening gehouden hoeft te worden.”

#Dwarsverbanden door de hele school heen

Renske: “Wat ook meespeelt denk ik is dat ik actief ben op het moment dat het mensen boven de pet groeit. Dan vraag ik daar actief naar. Ik ben zichtbaar als adjunct-directeur, heb een goede band met mensen en kan daardoor eerder anticiperen als er iets speelt.” Een leerkracht merkt op: “We letten ook goed op elkaar. We spreken elkaar aan als iemand niet lekker in zijn vel zit of ontzien elkaar omdat we weten dat er wat is. Dat gevoel dat er op je gelet wordt is heerlijk.” Renske: “Voor een goede sfeer is het
belangrijk dat je leerkrachten een goed professionaliseringsaanbod geeft, dat ze zich kunnen blijven ontwikkelen, en gezamenlijke momenten hebben waarop je iets leuks doet. We hebben iedere vrijdagmiddag een borrel, personeelsuitjes en gaan af en toe met elkaar uit eten.” Leerkracht: “Er is een prettige werksfeer, maar er wordt ook veel gedaan. Er zijn maar vier vergaderingen in een jaar, na afloop hebben we een etentje of doen we een spelletje. Op de dag van de leraar mochten we in shifts lunchen in een
restaurantje op de hoek; collega’s initiëren dat ze elkaar zien. We lunchen met elkaar, hebben geen continurooster, en hebben iedere vrijdag een borrel.” Je deelt veel als team, zo stelt een andere leerkracht. “Deuren zijn het hele jaar open, kinderen worden heen en weer geschoven (op een positieve manier). Er zijn dwarsverbanden door de hele school heen, dat is inherent aan ons onderwijsconcept.”

#Overdraagbaar

Renske: “Ja, dit is overdraagbaar naar andere scholen. Voorwaarden zijn wel dat men voldoende personeel vindt en dat je niet elke les als leerkracht zelf de instructie wil geven. We zijn een onderwijsvernieuwer, een daltonschool. We hebben parallelgroepen. Daar wordt niet in elke klas naast elkaar dezelfde instructie gegeven, nee, we voegen groepen samen, kijken wie wat nodig heeft en op basis daarvan krijgt het ene deel van de leerlingen de ene instructie en het andere deel de andere. Dus verschillende instructies vinden plaats op hetzelfde moment. Bij traditioneel onderwijs zal het wat meer tijd kosten om dit concept te implementeren.”